site stats
© Interview door Truus de Witte (hoofdstuk 29 van "Meerstemmig", een bundel met 30 interviews met o.a. Oorlogsgravenstichting, Rode Kruis, Recherche, enzovoort)

Henny de Rooij-Bouwman (1933-2006) 

Dochter van Hendrikus Wilhelmus Bouwman (1902-1943), slachtoffer van de Meistaking van 1943

door: Truus de Witte

Op een warme vrijdagmiddag praat ik met Henny de Rooij-Bouwman (1933), de dochter van Hendrikus Wilhelmus Bouwman (1902). Ze was negen jaar oud toen haar vader op 3 mei 1943 werd opgepakt, omdat hij meedeed aan de April-Meistaking. Hij kwam niet terug, noch kwam er zekerheid over zijn overlijden. Tot nu toe staat hij te boek als vermist.

“Ik was negen jaar oud toen mijn vader op 3 mei 1943 werd opgepakt, omdat hij meedeed aan de April-Meistaking. Hij kwam niet terug, noch kwam er zekerheid over zijn overlijden. Tot nu toe staat hij te boek als vermist.

Met veel emoties heb ik je boek Dat het zo lang moest duren… gelezen. Ik sta er versteld van hoeveel informatie bij jullie boven water is gekomen. Ons is dat niet gelukt. Ook hebben jullie alle begrip en medewerking van instanties gekregen. Die kregen wij niet. Een laatste verschil is dat het bij jullie om een grote groep vermisten gaat. Mijn vader is weliswaar samen met negen anderen gefusilleerd, maar er is geen enkel contact tussen de nabestaanden van de vermisten. We kunnen dus niet samen puzzelstukjes combineren, noch ons gezamenlijk sterk maken. Ik sta helemaal alleen, hier in het westen.

De wanhoop, de hoop, het wachten, de eenzaamheid, het onbegrip vanuit de omgeving, alles herkende ik. Ontroerend hoe jullie dat met elkaar konden delen. En ontroerend dat je mij de verhalen gaf, ze hebben me erg goed gedaan, en ik heb er steun en kracht aan ontleend om door te gaan met mijn zoektocht. Maar in tranen heb ik ze gelezen, allemaal.


De arrestatie van mijn vader

Mijn vader was bedrijfsleider van boekdrukkerij Borghouts op het Noordereiland in Rotterdam. Net als honderdduizenden andere landgenoten gaf hij gehoor aan de snel zich over het land verspreidende oproep om het werk neer te leggen. Ook stuurde hij zijn personeel naar huis. Op 3 mei was mijn moeder jarig, en ze was er niet gerust over dat mijn vader nog thuis was. Hij kon het werk toch beter hervatten, vond ze. Hij gaf haar gelijk, en ging na de koffie op pad om de personeelsleden thuis op te zoeken en weer naar de drukkerij te sturen. Mijn vader wist niet dat de directie alle namen van stakers al aan de Duitsers had doorgegeven. Al bij de eerste collega, die hij wil bezoeken, zag hij een overvalwagen staan. Ook bij de tweede. En thuis, bij mijn moeder en mijn 15-jarige broer Johan, wachtten de Duiters ook op hťm.

Mijn vader en Johan werden meegenomen naar het bureau van de SD aan de Heemraadsingel te Rotterdam. Het bleek dat naast mijn vader nog vijf mensen van de drukkerij waren gearresteerd. Op de Heemraadsingel moesten ze, samen met een aantal anderen, wachten op de gang. Johan werd rond zes uur weer op straat gezet. Hij had een pak slaag gekregen plus de opmerking ‘dat met kinderen geen zaken werd gedaan’.

Johan kwam totaal overstuur thuis, lopend. Alleen van hem weten we wat er tot zes uur is gebeurd. Hij vertelde dat mijn vader rond half zes ter dood was veroordeeld, samen met zijn collega Hommel[1]. De andere vier collega’s kregen gevangenisstraf. Een paar dagen later ontvingen we een brief van hem, een afscheidsbrief, per post, zonder datum[2].

We hebben twee weken gewacht. Toen zijn mijn moeder en ik naar de Heemraadsingel gegaan. Waarom? We hadden geen inkomen meer. Mijn vaders baas wilde zijn salaris wel doorbetalen, maar omdat hij de namen van de stakers had doorgegeven wilde mijn moeder niets meer met hem te maken hebben. Bloedgeld noemde ze het. En dat hoefde ze niet. Ze wilde een overlijdensakte vragen aan de Duitsers, waarmee ze naar de gemeente kon voor steun. Die kregen we natuurlijk niet. Mijn moeder werd erg onbeschoft behandeld. De Duitsers schreeuwden tegen haar en zetten ons er uit.

Toen zijn we zůnder overlijdensakte naar de gemeente gegaan. We hadden het krantenbericht, waarin mijn vaders naam stond tussen de ter dood veroordeelden. ‘Het vonnis was voltrokken’, meldde het bericht. Op grond van dat bericht kregen we steun, ƒ 12,50 per week en op vrijdag voor ieder gezinslid een gebakken schol. Dat was beslist geen vetpot voor een moeder met vijf kinderen. In de loop der tijd hebben we zo’n beetje alles moeten verkopen en ruilen om in leven te blijven. Ook al ons speelgoed.


Geen officiŽle verklaringen

We kregen dus steun van de gemeente Rotterdam op grond van een krantenbericht. Bij de gemeente konden ze ons niet vertellen wat er met mijn vader was gebeurd. Bij hen was niets officieel bekend. Er was geen enkel bericht van de Duitsers gekomen, vertelden ze. Was hij wel geŽxecuteerd? Was hij misschien weggevoerd? Ze raadden ons aan naar het politiebureau van Rotterdam te gaan. Misschien wisten zij iets.

Een tevergeefse rit. Van het politiebureau werden we naar het Duitse hoofdkwartier in Den Haag gestuurd. Daar scharrelde men wat in laatjes en kasten. Maar ook daar was niets bekend. ‘Mevrouw’, werd tegen mijn moeder gezegd, ‘dan blijft het een geheim’. Einde verhaal.

Ook in de loop der weken en maanden kwam er geen officiŽle verklaring van wat er met mijn vader was gebeurd. Ik sliep voortaan bij mijn moeder, omdat ze er niet meer tegen kon om alleen te zijn. Mijn moeder zag in mij de vervanging van mijn vader. Ik was ook naar hem vernoemd. Negen jaar was ik toen.


Wachten op zijn terugkomst

Omdat die officiŽle verklaring uitbleef hebben we altijd gedacht dat mijn vader op een goede dag weer terug zou komen. Je brengt je tijd dus door met wachten en er het beste van te maken. Geld voor levensonderhoud was een enorm probleem. We kregen hier in het westen de hongerwinter ook nog. Een brood kostte toen wel tachtig gulden! We kregen wel eens een enveloppe met geld van de ondergrondse, van een man met de schuilnaam Piet Heyn. Daar konden we weer wat eten van kopen.

Ik heb een keer een brood gestolen, zo’n honger hadden we. Maar stelen mocht beslist niet van mijn moeder. Toen ben ik er op gaan zitten, zodat we hem niet meer terug konden brengen. Maar we hebben hem voor straf in de hal op moeten eten. En die avond kregen we geen suikerbiet maar aardappelschillen.

Ik kon heel goed toneelspelen als kind, zo speelde ik ook ‘schurft’. Van onze vriendelijke huisarts kreeg ik de valse verklaring dat ik schurft had, zodat we bij de meelfabriek zemelen konden halen voor een papje tegen schurft. Ik liep dan naar binnen bij die fabriek, legde vlug het briefje van de dokter neer, deed vlug weer vijf stappen achteruit vanwege ‘het grote besmettingsgevaar’, pakte vervolgens het zakje zemelen en ging er als een speer weer vandoor. Toen vond ik iets uit. Ik was zo mager dat ik er uit zag als een aangeklede spijker. Dan deed ik net of ik flauwviel in die fabriek. Zo kregen we een veel grotere zak zemelen. Mijn moeder bakte taarten van die zemelen. Die verkochten we.

Mijn moeder was in de resterende oorlogsjaren zeer inventief. Ons menu bestond uit suikerbieten, tulpenbollen, zemelen en aardappelschillen, en daar kon ze de lekkerste gerechten en stroop van maken. Maar we zijn compleet tot de bedelstaf afgezakt in die jaren, ťn in het onzekere gelaten.

Mijn moeder is ziek van verdriet geworden, ziek van de hoop op mijn vaders terugkeer, en is al in 1958 overleden. Ze was toen nog maar tweeŽnvijftig jaar. Mijn moeder is overleden tijdens de geboorte van ons derde kindje, in dezelfde minuut. Ze hebben me pas de volgende dag verteld dat mijn moeder was gestorven. En toen hoorde ik dat ze een half uur voordat ze overleed gezegd had dat ze een tunnel zag. Aan het eind van die tunnel stond mijn vader op haar te wachten, met witte seringen, hun trouwbloemen…


Na de bevrijding

Meteen na de bevrijding hebben we contact opgenomen met het Rode Kruis, de Stichting 1940-1945 en het RIOD. Van het Rode Kruis kregen we bericht dat de zaak moeilijk was, en dat gemakkelijker gevallen voorgingen. Het RIOD antwoordde dat de zaak een nummer kreeg en dat te zijner tijd contact met ons werd opgenomen. Ook de Stichting 1940-1945 antwoordde dat het een moeilijk geval was. Maar moeilijk betekende het ontbreken van zekerheid, en dat betekende uitzoeken, en uitzoeken betekende hoop, in onze beleving.

De Stichting 1940-1945 gaf jaren later, op 7 oktober 1948, een verzetsverklaring uit, die vermeldde dat mijn vader op 3 mei 1943 in verband met verzet was gearresteerd en gefusilleerd. Zonder officiŽle overlijdensverklaring. Toen kregen we pensioen.

Ook hebben we een brief geschreven aan Prins Bernhard. We hadden alles moeten verkopen. We sliepen onder jassen. Als antwoord kregen we tweehonderd gulden om dekens van te kopen. Van de Stichting 1940-1945 kregen we als kinderen een voogd. De regel was: werken na de lagere school. Ik had graag vroedvrouw willen worden, maar ik belandde als veertienjarig meisje op de coupeuse-afdeling van C&A. Lopende bandwerk. Dat heb ik maar vijf weken volgehouden. Toen werd ik leerlingverkoopster in een grote schoenenzaak en klom ik gaandeweg op tot eerste verkoopster. Dit werk heb ik gedaan tot ons huwelijk in 1954. En tijdens dat huwelijk werden we er pijnlijk aan herinnerd dat er geen officiŽle overlijdensverklaring van mijn vader was.


Twee huwelijksplechtigheden, drie eigenlijk

Ik was nog geen vierentwintig jaar, dus had ik toestemming van mijn beide ouders nodig om te trouwen. Dat ging niet. Daarom moest ik een eed afleggen over het feit dat ik mijn vader geen toestemming had kunnen vragen omdat hij vermist was. Met een overlijdensverklaring was dat niet nodig geweest. Pas na die eed mocht ik de trouwakte tekenen. Dit was heel pijnlijk voor ons, voor mijn moeder, en voor de andere familieleden. Iedereen huilde. We hadden dat al voorzien. Daarom hadden we het huwelijk expres op twee dagen gepland. Maar ook op de tweede huwelijksdag, vier dagen later, tijdens het kerkelijke huwelijk en de bruiloft, lag er een sluier van verdriet over wat een feest had moeten worden.

In 2004 hebben we ons vijftigjarig huwelijksfeest gevierd in het gemeentehuis van Zwijndrecht. Het begon met een spontane opmerking, toen we werden uitgenodigd het nieuwe gemeentehuis te bezichtigen. We vonden de trouwzaal zo mooi, dŠŠr wilden we ons gouden huwelijk wel vieren. De gemeente heeft ons toen aangeboden ons opnieuw te trouwen. Het was een soort promotie van de nieuwe trouwzaal. Dat werd een prachtig feest, met een groot koor, een nieuw trouwboekje, koffie en gebak, enorm gezellig. Achteraf hebben we hen verteld over ons verdrietige huwelijk van vijftig jaar geleden. Daar waren ze stil van.

Wij můchten dan nog trouwen na het afleggen van de eed. Astrid RŲhl-Loep[3], de dochter van Frederik Loep is in Engeland getrouwd. Loep is ook vermist sinds de April-Meistaking. Dus, zonder toestemming van haar vader kon ze niet trouwen in Amsterdam!


Alles geprobeerd

Wat kun je nog meer doen als je alles al hebt geprobeerd en alle instanties al hebt benaderd? Dan houdt het op. En het komt niet in je op om het na vijf, tien, vijftien jaar opnieuw te proberen. Je hebt vertrouwen in de instanties. We werkten erg hard, mijn man en ik. Ik vond het heel belangrijk dat onze kinderen konden leren. Ik had dat zo gemist. Mijn zuster was destijds zelfs met zeven negens van de Mulo afgehaald om te werken.

Halverwege de jaren zestig konden we een genoegdoening aanvragen. Dat was vierhonderd gulden, die we moesten verdelen onder vijf broers en zussen. Aan de ene kant kun je daar weer iets noodzakelijks voor kopen, aan de andere kant voelde het als een vorm van ‘afkopen’ van mijn vader: ‘Hier is geld, en hou verder je mond.’

Ik heb een gedicht geschreven voor het programma Address Unknown van Hans van Willigenburg. De laatste uitzending vond plaats in 1995. Het valt me op dat bijna niemand stil staat bij de gevolgen van vermissing voor degenen die achterblijven.

          Address Unknown
          Een paar simpele woorden lijken het zo,
          Er schuilen vragen vol verdriet,
          Om iemand die verdween in het niet.
          Een vader bij zijn gezin weggehaald,
          Die zijn vaderlandstrouw met de dood heeft betaald.
          Zijn kinderen die na vijftig jaar
          Nog steeds niet weten, hoe en waar.
          Een afscheidsbrief door hemzelf geschreven
          Is alles wat hun is gebleven.
          Toch vraagt ieder van ons zich steeds weer af
          Oh, wist ik maar waar is het graf.
          Wat is er precies op 3 mei 1943 gebeurd?
          Door die onzekerheid wordt er door ons nog steeds getreurd.
          Oh, kwam er maar eens antwoord op onze vragen,
          Misschien is het verdriet dan beter te dragen.
          Een paar simpele woorden lijken het zo,
          Als je leest of hoort Address Unknown!

In 1999 schreef ik weer een brief naar het Rode Kruis. Er moest toch iets bekend zijn? Ik kreeg een brief terug dat ik het over veertien maanden maar weer moest proberen, dan was ik aan de beurt. Zoiets voelt als tegenwerking, vermomd als medewerking. De pijn die dit veroorzaakt komt bovenop de pijn die je al hebt.

Ik schreef vervolgens een brief aan het RIOD. Ik wilde niet zo lang op een antwoord van het Rode Kruis wachten. Van het RIOD kreeg ik de reactie: ‘Mevrouw, het is zestig jaar geleden, moeten we daar nu nog naar zoeken?’ Ik heb duidelijk kunnen maken dat ik zonder antwoorden niet verder kon. Nou, dan moest ik zťlf maar langskomen. Maar dat is niet zo eenvoudig voor een ouder iemand, die serieuze gezondheidsproblemen heeft, twee uur moet reizen en niet thuis is in de gebruiksaanwijzing van archieven.

In 1999 vond ik een boek van Onderwater over Rotterdam in oorlogstijd[4] in de bibliotheek. Daarin stond dat mijn vader op de Waalsdorpervlakte was gefusilleerd. Ik heb Onderwater meteen gebeld en gevraagd hoe hij dat wist. ‘Uit het gemeentearchief van Rotterdam’, was het antwoord. Ik ging natuurlijk meteen naar het gemeentehuis, maar daar werd me verteld dat ze niets hadden. Ik vertelde wat Onderwater mij had verteld, en dat ik net zo lang zou wachten tot ik de stukken kreeg die Onderwater ook van hen had gekregen. Na drie uur kreeg ik een document in handen, gedateerd 7 juni 1943, waarin Hanns Rauter de gemeente Rotterdam de opdracht geeft ‘de dood van Hendrikus Wilhelmus Bouwman in de burgerlijke stand te verwerken en aan de familie mede te delen’. Dit is destijds niet gebeurd. Ik wilde heel graag een kopie van het document, maar dat mocht niet. Ik zei dat ik bereid was opnieuw uren te wachten. Toen kreeg ik een kopie, heel grijs en zwart, bijna onleesbaar. Kosten: ƒ 7,50.

Later bleek dat er alleen documenten tot een bepaalde periode in het gemeentehuis lagen. Waarom is men niet wat behulpzamer, begripvoller, meedeelzamer? Waarom zegt men alleen dat men iets niet heeft, en geeft men geen tip om ‘daar en daar’ eens te kijken?

In 2000 bezochten mijn man en ik een seniorendag. Daar ontmoette ik mevrouw Emily Voorst tot Voorst. Ze kende mijn broer, en zo raakten we in gesprek. Ik vertelde over mijn vermiste vader. Ze had alle begrip, en zou kijken wat ze kon doen. Ze kende iemand die kon helpen zoeken, namelijk de oud beroeps luitenant-kolonel Ton Maas. Maas had de oorlog meegemaakt, had gezien hoe er geleden was, wilde helpen waar te helpen viel, en wilde vooral dat er recht werd gedaan. Maas nam contact met me op en we hebben honderduit gepraat. Hij is op mijn verzoek naar het RIOD gegaan. Hij heeft daar urenlang documenten doorgenomen, en met kopiŽn, onder andere van de telexen uit 1943 van het Standgericht, kwam hij terug.


Wat wilde ik weten?

Ik had het nodig om te weten waar mijn vader was overleden, wat er gebeurd was in de laatste ogenblikken dat hij leefde, en waar mijn vader was begraven. De plaatsen van overlijden en begraven waren dus belangrijk, plķs een officiŽle verklaring van overlijden. Vermist is helemaal niets. Alle grip ontbreekt. En je zag hoe vermissing ons heeft achtervolgd: de val naar armoede en een verplichte eed op ons huwelijk, naast dat we onze vader moesten missen.

Maas begon samen met mij te zoeken. Ik deed het ook voor mijn broer Johan. Die was inmiddels ernstig ziek geworden en leed erg onder de herinneringen aan de gebeurtenissen. Hij was destijds ook nog vrijwillig naar Nederlands-IndiŽ gegaan, mede om alle druk thuis te ontvluchten. Johan kon een zoektocht niet opbrengen. En ik had de hulp van Maas nodig. Mijn lichamelijke gezondheid is niet goed, en het is erg moeilijk om je weg te vinden tussen instanties en archieven.

De Duitsers hadden op 7 juni 1943 aan de gemeente Rotterdam te kennen gegeven dat mijn vader was gefusilleerd, dat ze dit moesten opnemen in het bevolkingsregister en de nabestaanden van het overlijden op de hoogte moesten stellen. Beide opdrachten zijn niet uitgevoerd. Er is wel een aantekening op de kaart van de burgerlijke stand gemaakt: ‘Overleden te Onbekend op 3 mei 1943’. En omdat de plaats onbekend was is geen akte van overlijden afgegeven. We mochten de stukken lezen, niet kopiŽren.

Het bleek onmogelijk te zijn om met terugwerkende kracht een akte van overlijden af te geven. Er was op dat moment immers niemand overleden? Maar juist vanwege de ellende, die we vanwege het ontbreken van zo’n akte hadden ervaren, was die akte zo belangrijk voor me. Na een hoop gedoe kregen we op 22 oktober 2004 een akte, op grond van een gerechtelijke uitspraak. Maar daar staat weer niet in dat hij wegens verzet door Duitse hand is gedood.

De gemeente heeft die gerechtelijke uitspraak wel bekostigd. Aanvankelijk werd ons verteld dat we dat zelf moesten doen. Dat zou ons duizenden euro’s hebben gekost. Terwijl de gemeente in juni 1943 in gebreke is gebleven.


Veel onduidelijkheid

Uit de kopieŽn van het RIOD bleek dat mijn vader op 3 mei om 17.35 uur ter dood was veroordeeld en die avond om 20.50 uur samen met negen anderen gefusilleerd was: Arie Leendert Verhoef, Wouter Slob, Willem Johannes Smit, Jacob de Groot, Willem Hommel, Cornelis de Kok, Cornelis van der Giessen, Dirk Loever, Jan Willem de Blaey en mijn vader[5]. Om 21.55, ruim een uur later dus werd bericht van de ‘bestštigung’, dus het bericht dat de vonnissen waren voltrokken, doorgegeven aan Rauter. Zijn de tien mannen vanuit Rotterdam naar de Waalsdorpervlakte vervoerd en daar gefusilleerd? Het is een half uur rijden vanuit Den Haag naar Rotterdam. Dus het is mogelijk.

In het Gedenkboek van het Oranjehotel[6] staat mijn vader vermeld. Hij zou op 10 november 1943 zijn gefusilleerd op de Waalsdorpervlakte. In de Gedenkboeken van de Oorlogsgravenstichting staat achter de genoemde negen mannen dat ze op 3 mei 1943 in Rotterdam zijn gefusilleerd, achter mijn vader staat 3 mei 1943 als overlijdensdatum en ‘onbekend’ als plaats van overlijden. Alle tien slachtoffers hebben een onbekende graflocatie. Naar mijn vader is gezocht op de Waalsdorpervlakte. Waarom alleen naar mijn vader? En niet naar de anderen? Is hij soms niet gefusilleerd in mei 1943? Is hij afgevoerd om nog verder verhoord te worden? Vragen die ondraaglijk zijn maar waar je niet uitkomt.

In het archief van het Oranjehotel van Scheveningen staat vermeld dat mijn vader samen met ene meneer Knipscheer op 10 november 1943 op de Waalsdorpervlakte is gefusilleerd. Daar heeft Weber zijn uitspraken op gebaseerd in het Gedenkboek.

De publicatie En toen was het stil van Overwater bevat weer andere informatie. Ook hij noemt de Waalsdorpervlakte, maar mei 1943.

In 2002 heb ik een oproep op Internet geplaatst. Wie kon me vertellen wat er met mijn vader was gebeurd en waar hij begraven lag? Ik kreeg geen reacties.

Er is zijn na de bevrijding veel kansen onbenut gelaten. Pas nu weet ik dat Arno Arlt, de rechter van het Standgericht die tijdens de April-Meistakingen de doodvonnissen uitsprak in onze regio, maandenlang gevangen heeft gezeten in het Oranjehotel. Hij is vrijgesproken na berechting. Maar hij beschikte toch over alle cruciale informatie? Hij had namen van andere betrokkenen door kunnen geven, die vervolgens weer verhoord hadden kunnen worden. Het moet toch eenvoudig zijn geweest om achter de graflocaties te komen? Ook andere daders bleken jarenlang gevangen te hebben gezeten.

In Limburg zijn de daders, die tijdens de April-Meistaking de executies hebben uitgevoerd, behoorlijk stevig ondervraagd. Dat heeft geleid tot het vinden van de verborgen lichamen van de slachtoffers. Die zijn herbegraven en er is een monument geplaatst[7].

Bij jullie in het noorden is er nu zekerheid over de begraafplaats van de verborgen slachtoffers, de Appelbergen. Er kon, met alle medewerking van instanties, een volledige reconstructie van alle gebeurtenissen worden gemaakt, waardoor zekerheid is ontstaan. Jullie kregen alle begrip en erkenning, en de nabestaanden kregen alle informatie in de schoot geworpen. Jullie kregen een monument bij de begraafplaats. Zo hoort het eigenlijk ook te gaan. Wij moeten hier vechten, de deuren gaan amper open. Dat doet enorm pijn. Ton Maas krijgt te horen dat hij geen binding met de familie heeft, dus niet als nabestaande te woord wordt gestaan. Maar ik heb juist hulp nodig omdat ik het niet alleen kan. Ik weet niet hoe instanties werken, hoe systemen in elkaar zitten, wat ik moet vragen en waar ik moet zoeken.


Waalsdorpervlakte

De afgelopen drie jaar ben ik naar de Waalsdorpervlakte gegaan tijdens de Nationale Dodenherdenking. Ook al heb ik geen zekerheid. Een plek is zo verschrikkelijk belangrijk, een plek om naar toe te gaan, om te herdenken. Je hebt een plek nodig om de gebeurtenissen een plek te kunnen geven. Natuurlijk heb ik het liefst honderd procent zekerheid over de begraafplaats, maar ik kan leven met een gedenkplek.

Het is mijn grote wens dat er een nationaal monument voor alle 175 slachtoffers van de April-Meistaking komt. Deze staking, deze verzetsdaad, heeft amper aandacht gekregen, in vergelijking met andere oorlogsgebeurtenissen. Een monument houdt erkenning van deze verzetsdaad in, erkenning van alle slachtoffers, en biedt een plek om naar toe te gaan.


Je raakt murw

Ik wil er een punt achter zetten, puur uit zelfbescherming. Het doet zo’n pijn dat alles constant weer wordt opgerakeld terwijl je geen stap vooruit komt. Mijn broer Johan is vorig jaar overleden, en de zoektocht naar mijn vader deed ik ook voor hem. Ik hield hem van alles op de hoogte, we praatten veel. Voor hem hoef ik nu niet meer te zoeken.

Ton Maas wil nog wel doorgaan. Maar ik kan het niet meer aan om steeds het deksel op mijn neus te krijgen, om steeds weer op dichte archieven te stuiten, op kopieŽn die veel geld kosten, op snijdende opmerkingen zoals ‘wat een drukte om iets wat al zestig jaar geleden is gebeurd, laat het toch rusten’ of  ‘en al die omgekomen zeelui dan, die hebben ook geen graf’. Zulke opmerkingen snijden als een mes in je hart. Je staat daar niet voor je plezier, maar omdat je zonder antwoorden domweg niet verder kunt.

Binnen mijn vriendenkring stuit ik op onbegrip, dat herkende ik ook in de verhalen van Dat het zo lang moest duren… Begrijpen instanties en vrienden niet dat je wilt weten wat er met je vader is gebeurd en waar hij begraven ligt? En dat die vragen blijven knagen zolang je geen zekerheid krijgt?

Ik kan geen confrontaties meer aan. Ik wil alleen nog antwoorden op een manier die ik aankan, met respect, met medeleven, met begrip, met medewerking. Ik wil het weliswaar laten rusten, maar ik kan het eigenlijk alleen laten rusten als ik antwoorden heb.”

 

Henny de Rooij-Bouwman is overleden op 7 november 2006, negen weken na ons gesprek.

 

Het interview met Henny vormt hoofdstuk 29 van de interviewbundel Meerstemmig.


 

[1] Wilhelmus Adrianus Hommel.

[2] Ook Arie Leendert Verhoef en Wouter Slob werden, nadat ze diezelfde dag door het Standgericht op de Heemraadsingel ter dood waren veroordeeld, een afscheidsbrief schrijven aan hun familie.

[3] Zie hoofdstuk 30, Brita RŲhl, dochter van Astrid RŲhl-Loep en kleindochter van Frederik Martinus Loep.

[4] Hans Onderwater (1981). En toen was het stil. De luchtoorlog boven Rotterdam en IJsselmonde 1940-1945. IJsselmonde: Uitgeverij Hollandia.

[5] Van alle tien slachtoffers is de plaats waar ze begraven liggen onbekend.

[6] Weber, E.P. (1946) Gedenkboek van het Oranje Hotel. Celmuren spreken. Gevangenen getuigen. Rotterdam: Nijgh & Van Ditmar. De derde druk verscheen in 1982. Amstelveen: Studio Pieter Mulier.

[7] Op grond van verklaringen van de gearresteerde SS’er Richard Nitsch, Kriminal-Oberassistent van de SD te Maastricht, werd op 1 juli 1946 het massagraf gevonden van zeven slachtoffers van de Meistaking: Johannis Leendert Cornelis Boogerd, Martinus Antonius Marie Bouman, Leendert Theodorus Brouwer, Pieter Ruyters, Renier Savelsberg, Servatius Hendricus Toussaint en Meynardus Jacobus Tempelaars. Op 6 juli 1946 werden de slachtoffers herbegraven in hun woonplaatsen. In 1950 werd in het natuurgebied De Hamert een monument onthuld op de plek waar ze tijdens de Meistaking waren gefusilleerd en begraven.

 
klik HIER voor een link naar de pagina ter zake van het Nederlandse Rode Kruis

 TERUG NAAR BOVEN

 TERUG NAAR H.W. BOUWMAN